Richtlijn HIV
Deze pagina is het laatst bewerkt op 10 aug 2022 om 06:51. | Deze pagina is 64.875 maal bekeken.

2.1. Wanneer beginnen?

Uit Richtlijnen HIV

(Verschil tussen bewerkingen)
Ga naar: navigatie, zoeken
Regel 4: Regel 4:
|-
|-
|  
|  
-
'''Patiënten met een acute HIV-infectie''': zie [[hoofdstuk 5 (diagnostiek en behandeling primaire HIV-infectie)]]
+
'''Patiënten met een acute HIV-infectie''': zie [[Hoofdstuk_5._Diagnostiek_en_behandeling_primaire_HIV-infectie|hoofdstuk 5 (diagnostiek en behandeling primaire HIV-infectie)]]
|-
|-

Versie op 4 jun 2010 08:39

Samenvatting aanbevelingen

Patiënten met een acute HIV-infectie: zie hoofdstuk 5 (diagnostiek en behandeling primaire HIV-infectie)

Patiënt met HIV-gerelateerde symptomen: CDC klasse B en C

  • Behandeling aanbevolen zonder uitstel;
  • Opportunistische infectie: start cART binnen 2 weken na de diagnose.

Patiënt zonder HIV-gerelateerde symptomen: CDC klasse A

  • CD4 <200 cellen/mm3: behandeling aanbevolen zonder uitstel;
  • CD4 200-350 cellen/mm3: behandeling aanbevolen;
  • CD4 350-500 cellen/mm3: behandeling aanbevolen bij:
    • hepatitis B of C als hiervoor behandeling geïndiceerd is;
    • HIV associated nefropathie (HIVAN).
  • CD4 350-500 cellen/mm3: behandeling valt te overwegen bij;
    • viral load > 100.000 kopieën/mL en/of daling van CD4 > 50-100 cellen/mm3/jaar;
    • leeftijd boven 50 jaar;
    • hoog cardiovasculair risico (Framinghame of SCORE);
    • maligniteit.
  • CD4 > 500 cellen/mm3: behandeling wordt niet aanbevolen tenzij er sprake is van tenminste 2 factoren genoemd onder CD4 350-500 cellen/mm3

cART = combinatie antiretrovirale therapie


Voor start van therapie:

  • Twee maal CD4 aantal meten

Onderbouwing wanneer starten