Richtlijn HIV
Deze pagina is het laatst bewerkt op 19 mei 2017 om 14:53. | Deze pagina is 37.303 maal bekeken.

Definities

Uit Richtlijnen HIV

Ga naar: navigatie, zoeken

acquired immunodeficiency syndrome zie aids, zie ook immunodeficiëntie

ADC aidsdementiecomplex

aids voll. vorm: acquired immunodeficiency syndrome; verworven deficiëntie van het immuunsysteem t.g.v. infectie met het humaan immunodeficiëntievirus (HIV), vroeger ook HLTV-III of LAV genoemd; HIV is een retrovirus dat de helper-T-lymfocyten (CD4 cel) infecteert en doodt; als gevolg daarvan ontstaat een sterke vatbaarheid voor o.a. opportunistische infecties; HIV komt het lichaam binnen via de bloedbaan, o.a. door seksuele contacten (i.h.b. anaal geslachtsverkeer), intraveneus druggebruik met geïnfecteerde spuiten en transfusies met geïnfecteerd(e) bloed(producten); men spreekt bij een HIV-positieve patiënt van (manifeste) aids als hij een of meer opportunistische infectie(s) heeft of een HIV-gerelateerde tumor (bijv. Kaposi-sarcoom) heeft gehad; meestal is dan ook het CD4-cellen gedaald tot beneden de 200 per mm3 zie ook aids-related complex

aidsbehandelaar internist of kinderarts, gespecialiseerd in de behandeling van HIV-infectie, syn. HIV-behandelaar

aidsdementiecomplex (ADC), aidsdementie, aidsdementiesyndroom progressieve subcorticale dementie ten gevolge van aids; gaat gepaard met motorische verschijnselen, veroorzaakt door HIV-infectie in het CZS; frequentste neurologische complicatie bij aids; begint vaak met concentratie- en geheugenstoornissen, verlies van belangstelling voor omgeving, soms depressiviteit en gebrek aan ziekte-inzicht; sinds de introductie van antivirale middelen die de hersen-bloedbarrière passeren (ZDV en andere) komt aidsdementie nog maar zelden voor; neurologische afwijkingen kunnen ook worden veroorzaakt door toxoplasmose, cryptokokkose en progressieve multifocale leukencefalopathie (PML)

atypische tuberkelbacterie zuurvaste mycobacterie die alleen infecties kan veroorzaken bij immuungecompromitteerde patiënten, bijv. aidspatiënten; niet te verwarren met Mycobacterium tuberculosis

B-cel lymfocyt die aan het oppervlak eiwitten (receptoren) heeft waarmee lichaamsvreemde stoffen (ook meestal eiwitten) van eigen stoffen kunnen worden onderscheiden. Wanneer een B-cel zich aan zo'n lichaamsvreemde stof (antigeen) bindt, gaat zij zich delen. De cellen die daarbij ontstaan, maken vervolgens antistoffen (wederom eiwitten) die zich aan het antigeen van de indringer binden; de indringer kan daardoor worden herkend en onschadelijk gemaakt worden door een ander type witte bloedcel; de macrofaag. Voor elk antigeen wordt een specifiek antistof gemaakt. De B-cellen beschikken n.l. over een geheugen dat hen in staat stelt een antigeen waar ze eerder mee te maken hebben gehad, te herkennen. Ze kunnen dan onmiddellijk met de productie van de benodigde antistof beginnen. Dat is ook de reden waarom we veel infectieziekten maar één keer in een mensenleven optreden

candida-oesofagitis acute ulceratieve pseudo-membraneuze ontsteking van de slokdarm ten gevolge van een infectie met Candida albicans; komt vooral voor bij immuungecompromitteerden (bijv. aidspatiënten) of na chemotherapie

CD-4 cel, CD4 + lymfocyt zie T(4)-helpercel

CD4/CD8-ratio aantal CD4-cellen gedeeld door aantal CD8-cellen; normale ratio is 1 tot 1,5; tijdens een HIV-infectie is deze verlaagd

CD4-aantal aantal CD4-cellen per mm3; normaal aantal ligt tussen 500 en 1500 per mm3; bij een aantal onder de 200 per mm3 wordt het risico van opportunistische infecties groot; het aantal CD4-cellen kan sterk fluctueren; belangrijk is de trend over de tijd

CD4-cel CD4-T-lymfocyt, ook wel T4-cel of T-helpercel genoemd; speelt een cruciale rol in het immuunsysteem en kan bovendien met HIV worden geïnfecteerd; in de loop van de HIV-infectie daalt het aantal CD4-cellen van een normale waarde (meer dan 500 per mm3) naar zeer lage aantallen

CD4-percentage percentage CD4-cellen van het aantal lymfocyten; in het algemeen fluctueert het CD4-percentage minder sterk dan het absolute aantal CD4-cellen; bij een infectie kan het aantal in het bloed circulerende lymfocyten tijdelijk lager zijn: het aantal CD4-cellen in het bloed is dan ook tijdelijk lager, maar het CD4-percentage blijft dan in principe gelijk

CD4-receptor receptor op het oppervlak van onder meer een subset van T-lymfocyten

CD8-cel CD8+-T-lymfocyt, ook wel T8-cel genoemd; speelt een belangrijke rol speelt bij het immuunsysteem; sommige CD8-cellen, cytotoxische T-lymfocyten (CTL's) herkennen en doden geïnfecteerde cellen; HIV kan doorgaans CD8-cellen niet infecteren; tijdens een HIV-infectie neemt het aantal CD8-cellen in eerste instantie toe, maar na verloop van jaren neemt het aantal later weer af

combinatietherapie behandeling van een aandoening met verschillende preparaten tegelijk (duotherapie = combinatie van twee middelen; tripeltherapie = combinatie met drie middelen; quadrupeltherapie = combinatie met vier middelen; combinatietherapie is noodzakelijk bij ziekteverwekkers waarbij het snel ontstaan van resistentie een probleem vormt, zoals HIV, Mycobacterium tuberculosis en Mycobacterium avium

coreceptor oppervlakte-eiwit dat de gevoeligheid van de antilichaam voor het antigeen verhoogt door binding aan een andere bindingsplaats; HIV heeft verschillende receptoren nodig om een cel te kunnen infecteren; een belangrijke receptor is de CD4-receptor van CD4-cellen en macrofagen; daarnaast heeft HIV coreceptoren nodig om cellen te kunnen infecteren zie ook SI en NSI

Cryptosporidium parvum wereldwijd verspreide protozoaire parasiet; veroorzaakt voorbijgaande enteritis met diarree en buikkrampen, o.a. bij aidspatiënten

emerging infections nieuwe, re-emerging of antibioticum-resistente infecties, waarvan de incidentie de laatste twee decennia is toegenomen of waarvan de incidentie in de nabije toekomst dreigt toe te nemen

encefalopathie, (post-)infectieuze blijvende afwijkingen aan hersenweefsel na encefalitis (intra-uterien of op jonge leeftijd) door rubella, toxoplasmose, HIV-infectie, syfilis, herpes simplex, mazelen, waterpokken en cytomegalie

folliculitis, eosinofiele (pustuleuze) bijzonder jeukende dermatose bij aids; aanvalsgewijs optredende erupties van steriele papels en pustels, samenvloeiend tot plaques; vooral op romp en gelaat, ook gegeneraliseerd; histologisch is er rondom de follikel een eosinofiel granulocytair infiltraat

fosforylatie omzetting van nucleoside/nucleotide analogen in de cel in werkzame stof door toevoeging van twee of drie fosfaatgroepen

fusieremmer stof die door blokkade van de fusie tussen HIV en gastheercel (CD4 cel) verhindert dat HIV een cel kan binnendringen

geheugencel langlevende B- en T-lymfocyt, gevormd tijdens de primaire immuunrespons na blootstelling aan een antigeen (bijv.een ziekteverwekker als HIV); bij hernieuwd contact met hetzelfde antigeen/ziekteverwekker treedt snelle differentiatie op tot klonen antistofvormende geheugen B-cellen en/of geheugen CD4 T-cellen, waardoor de secundaire immuunreactie sneller verloopt. geheugencellen zijn vaak rustende cellen en leven lang; CD4-geheugencellen kunnen ook met HIV geïnfecteerd zijn; door het lange leven van deze cellen blijft HIV zeer lang in het lichaam aanwezig zelfs, al zou combinatietherapie de aanmaak van nieuw HIV volledig stilleggen (hetgeen momenteel niet het geval is)

HIV zie humaan immunodeficiëntievirus

harige leukoplakie aandoening bij aidspatiënten op basis van een menginfectie met Candida albicans en het Epstein-Barr-virus; het begrip ‘leukoplakie’ is in dit verband misleidend aangezien bij harige leukoplakie geen sprake van celatypie is syn. hairy leukoplakia

HIV-antistof antistof, gericht tegen alle structurele eiwitten van HIV; een deel hiervan is gericht tegen de virusenvelop en verhindert zo infectie van nieuwe cellen

HIV-behandelcentrum ziekenhuis dat krachtens de Wet Bijzondere Medische Verrichtingen aangewezen is om HIV-positieve personen te behandelen

HIV-gerelateerde ziekte ziekte die ontstaat door de verzwakking van het immuunsysteem als gevolg van HIV-infectie; bij aanwezigheid van bepaalde HIV-gerelateerde aandoeningen (‘indicatorziekten’) spreekt men van ‘aids’; andere klachten worden niet ernstig genoeg geacht voor de diagnose ‘aids’ en leiden tot de diagnose ‘symptomatische HIV-infectie’

HIV-infectie virusoverdracht via besmette bloedproducten of door bepaald seksueel contact; na primaire infectie, waarin daling van CD4-lymfocyten gepaard gaat met acuut verlopend klinisch beeld, volgt symptoomloze periode, variërend van een halfjaar tot meer dan tien jaar ('long-term survival'); in deze periode worden antistoffen gevormd en treedt een cellulaire, cytotoxische respons op; de hoeveelheid virus in plasma stijgt, het aantal CD4-lymfocyten daalt langzaam, totdat de immunologische verslechtering klinisch manifest wordt door optreden van opportunistische infecties en evt. tumoren; dan spreekt men van (manifeste) ‘aids’, zie ook aids

HIV-monitoring controle van HIV-patiënten met geprotocolleerde medicatie op therapie effect, met als doel optimale behandeling en onderzoek; bij monitoring van HIV-combinatietherapie wordt o.a. gekeken naar viral load, aantal CD4-cellen, therapietrouw, soms ook bloedspiegels van antivirale middelen en resistentiebepaling, en uiteraard naar de klachten (inclusief de eventuele bijwerkingen van de HIV middelen) en het welbevinden van de HIV-positieve personen die de middelen gebruiken; monitoring dient ter optimalisatie van het therapeutische effect en maakt tijdige wijziging van medicatie mogelijk

HIV-positief bloedserologische statusaanduiding voor personen bij wie in het bloed antistoffen tegen het humaan immunodeficiëntievirus (HIV) zijn aangetoond; vroeger werd wel een onderscheid gemaakt tussen seropositieven en mensen met aids; dit onderscheid is verwarrend omdat mensen met aids ook antistoffen tegen HIV hebben en dus strikt gesproken ook seropositief zijn; met ‘HIV-positieve personen’ worden alle mensen met HIV bedoeld, ongeacht of zij wel of geen HIV-gerelateerde klachten of aids hebben, zie ook seropositief

HIV-remmer stof die de vermenigvuldiging van HIV remt; er zijn verschillende soorten HIV-remmers beschikbaar: reverse transcriptaseremmers (nucleoside en nucleotide analogen), niet-nucleosiden reverse transcriptaseremmers, proteaseremmers en fusieremmers.

HIV-test test om antistoffen tegen HIV aan te tonen; bij HIV-positieve uitslag wordt een bevestigingstest verricht ter uitsluiting van een fout-positieve testuitslag; de Western blot-test bevestigt hierbij de positieve uitslag van de gebruikte enzyme-linked immunosorbent assay (ELISA); het immuunsysteem maakt antistoffen niet direct na infectie, maar wel binnen drie maanden aan; deze periode wordt de ‘window phase’ genoemd; een negatieve testuitslag in deze periode heeft geen betekenis

HIV-zelftest HIV-test die men zelf thuis, in veelal gewenste anonimiteit, kan uitvoeren; nadeel is ontbreken van medische en psychologische begeleiding, i.h.b. bij een positieve, ongunstige uitslag; deze uitslag vereist een bevestigingstest, die niet thuis kan worden uitgevoerd

hoogactieve antiretrovirale therapie (HAART) krachtige combinatietherapie, toegepast bij HIV-positieve personen met als doel de viral load ondetecteerbaar laag te maken; bij therapietrouw blijft de viral load vele jaren ondetecteerbaar; goede resultaten worden vooral geboekt bij HIV-positieve personen die nog nooit eerder antiretrovirale therapie hebben gehad

humaan herpesvirus 8 (HHV-8) virus, in 1994 voor eerst aangetoond in Kaposi-sarcoom bij aidspatiënten; behoort tot gamma-subfamilie van herpesviridae (genus Rhadinovirus); bij een gezonde populatie is de seroprevalentie 10, syn. Kaposi-sarcoom-herpesvirus (KSHV)

humaan immunodeficiëntievirus (HIV) retrovirus dat als verwekker van aids en HIV-gerelateerde ziekten wordt beschouwd; men onderscheidt subtypen, syn. human immunodeficiency virus

humaan immunodeficiëntievirus type 1 (HIV-1) virulent lentivirus met complex genoom, het meest voorkomende soort HIV in de wereld; HIV-1 kent verschillende subtypen (ondersoorten): groep M (van main, hoofdgroep) bestaat uit subtype A t/m H; daarnaast bestaan subtype O en subtype N; beide laatste subtypen komen vnl. in Kameroen voor; naast de subtypes zijn er ook recombinanten waarvan het genetisch materiaal van verschillende subtypen afkomstig is; in Europa en Noord-Amerika komt subtype B van HIV-1 het meest voor; in andere landen komen ook andere subtypes voor en in Afrika zijn alle subtypes te vinden; van HIV-1 wordt aangenomen dat het afkomstig is van een bepaald soort chimpansee; HIV-2 is een geheel ander HIV

humaan immunodeficiëntievirus type 2 (HIV-2) lentivirus, gerelateerd aan HIV-1, maar minder virulent, vnl. in West-Afrika voorkomend; de levensverwachting bij infectie met HIV-2 is langer dan bij HIV-1; de helft van geïnfecteerden met HIV-2 leeft zonder behandeling naar verwachting langer dan 20 jaar; infectie is behandelbaar, maar voor dit virus ontbreken specifieke remmers; een aantal HIV-1-remmers is ook effectief tegen HIV-2; aangenomen wordt dat HIV-2 oorspronkelijk afkomstig is van apensoorten en dat dit aan het simian immunodeficiency virus (SIV) gerelateerde virus mogelijk de genenpool heeft geleverd waaruit aidsvirussen zijn voortgekomen

humaan retrovirus retrovirus met grote affiniteit voor T-lymfocyten bij de mens; bekend zijn oncovirussen HLTV I en II en lentivirus HIV, zie ook retrovirus, human immunodeficiency virus, humaan immunodeficiëntievirus (HIV)

human T-cell lymphotropic virus type III (HTLV-III) humaan immunodeficiëntievirus (HIV)

hyperinfectiesyndroom syndroom van longafwijkingen, ernstige enteritis, aanhoudende gramnegatieve bacteriëmie en gramnegatieve meningitis; vnl. gezien bij immuungecompromitteerde patiënten en aidspatiënten, bijv. bij patiënten met een uitgebreide infestatie met Strongyloides stercoralis, zie ook superinfectie

IATEC International Antiviral Therapy Evaluation Center, zie ook NATEC

immuungecompromitteerde patiënt patiënt met verzwakte immunologische afweer; de immuundepressie kan het gevolg zijn van ziekte (bijv. aids) en medicatie (o.a. corticosteroïden en immunosuppressiva)

incubatie ontwikkeling van het ziekteproces in de symptoomloze periode (het i.-tijdperk) die ligt tussen het binnendringen van een micro-organisme en het uitbreken van de ziekte

inductietherapie startbehandeling met betrekkelijk veel en hoog gedoseerde farmaca; wordt vaak gevolgd door een onderhoudsbehandeling, met minder en lager gedoseerde farmaca; wordt o.a. toegepast bij de behandeling van infectie van het netvlies door het cytomegalievirus (CMV) bij aids

integrase enzym van HIV dat helpt bij het inbouwen van het genetisch materiaal van HIV (RNA) na omzetting in DNA in het DNA van de gastheercel

integraseremmer geneesmiddel dat het inbouwen van het genetisch materiaal van HIV (RNA) na omzetting in DNA in het DNA van de gastheercelcel remt

Kaposi-sarcoom (KS) maligne aandoening die wordt gekenmerkt door multipele pijnloze woekeringen van bloedvaten die tot blauwrode papels en tumoren op de huid leiden; kan ook inwendig ontstaan (darmen, lymfeklieren of longen) en kan dan levensbedreigend zijn; als HIV-positieve personen KS hebben, spreekt men van (manifeste) ‘aids’; KS wordt veroorzaakt door het herpesvirus HHV-8 (Kaposi-sarcoom-herpesvirus, KSHV); KS komt veel vaker voor bij HIV-positieve mannelijke homoseksuelen dan bij andere HIV-positieve personen, wat wijst op seksuele overdraagbaarheid

kruisresistentie vorm van resistentie waarbij het resistentiepatroon van het ene middel sterk lijkt op de resistentie van het andere; bij volledige kruisresistentie tussen twee middelen is wijziging van geneesmiddel zinloos, zie ook multiresistentie

lentivirus subgroep van de familie der retrovirussen; tot de lentivirussen behoren het visnavirus en het HIV

lipodystrofie afwijkende verdeling van onderhuids vetweefsel over het lichaam; bijwerking van antivirale therapie met proteaseremmers en nucleoside analogen; bijv. vettoename op buik, borst en hoog achter op rug (buffalo hump), vetafname op armen, benen, billen en in gezicht; soms gepaard met hyperlipidemie; mogelijk ook verband met insulineresistentie, osteoporose en lage testosteronspiegel

lymphadenopathy-associated virus (LAV) zie humaan immunodeficiëntievirus (HIV)

MAI Mycobacterium-avium-intracellulare; atypische mycobacteriën, die veelal multiresistent is tegen conventionele tuberculostatica; komt voor als verwekker van ziekte bij gevorderde HIV-gerelateerde immuundeficientie

Microsporidium spp. darmparasiet die i.h.b. bij aidspatiënten diarree en soms keratoconjunctivitis kan veroorzaken

mitochondriale toxiciteit giftig effect van bepaalde geneesmiddelen op mitochondriën, waardoor deze minder goed functioneren; aangenomen wordt dat bij de behandeling van HIV met nucleoside analogen mitochondriale toxiciteit de oorzaak is van een aantal belangrijke bijwerkingen, zoals neuropathie, myopathie, alvleesklierontsteking en lactacidemie (melkzuuracidose); deze toxiciteit speelt mogelijk ook een rol bij het ontstaan van lipodystrofie, i.h.b. lipoatrofie

monitoring, monitoren

  1. het uitvoeren en analyseren van routinemetingen met het oog op de signalering van veranderingen in de gezondheidssituatie van een individu of populatie
  2. voortdurende metingen en prestaties van een dienstverlenende zorginstelling

multiresistentie vorm van resistentie waarbij een micro-organisme resistent is tegen verscheidene geneesmiddelen, ook als er geen kruisresistentie tussen die middelen bestaat, zie ook kruisresistentie

Mycobacterium avium verwekker van vogeltuberculose, zie ook MAI

myelopathie, vacuolaire ziektebeeld, gekenmerkt door holtevorming in de witte stof van het ruggenmerg (vnl. thoracaal) in een laat stadium van aids, met gnostische (m.b.t. vibratiezin en positiegevoel) stoornissen van de benen, spastische parese en mictiestoornissen

naïef (immunol.) aanduiding van HIV-positief persoon die nog geen antivirale therapie heeft ondergaan; beter is de aanduiding ‘therapie-naïef’

naïeve cel CD4- of CD8-cel die zich nog niet in een ziekteverwekker heeft ‘gespecialiseerd’, zie ook geheugencel

NATEC Nationaal Aids Therapie en Evaluatie Centrum; centrum dat (nagenoeg) al het klinisch onderzoek op het gebied van HIV in Nederland coördineert; vormt onderdeel van het IATEC, dat ook klinisch onderzoek in het buitenland doet

niet-nucleoside analoog stof die niet lijkt op nucleoside en doorgaans ook specifieker tegen HIV werkt; vooralsnog zijn niet-nucleosiden alleen werkzaam tegen HIV-1, zie reverse transcriptaseremmer

NNRTI non-nucleoside reverse transcriptase inhibitor, zie niet-nucleoside-analoog

NRTI nucleoside analogue reverse transcriptase inhibitor, zie nucleoside analoog

NSI zie SI

NtRTI nucleotide analogue reverse transcriptase inhibitor, zie nucleotide analoog

nucleoside analoog stof die lijkt op nucleoside, een van de bouwstenen van DNA en RNA; actief tegen HIV-1 en doorgaans ook tegen HIV-2 en soms ook tegen andere virussen, zie ook reverse transcriptaseremmer

nucleotide analoog stof die lijkt op nucleotide, een van de bouwstenen van DNA en RNA ; actief tegen HIV-1 en doorgaans ook tegen HIV-2 en soms ook tegen andere virussen ; bij fosforylatie worden bij nucleoside analogen drie fosfaatgroepen en bij nucleotide analogen, die reeds een fosfaatgroep hebben, twee fosfaatgroepen enzymatisch toegevoegd, zie ook reverse transcriptaseremmer

NVHB Nederlandse Vereniging van HIV Behandelaren

ondetecteerbaar (virologie) onmeetbaar (doorgaans: onmeetbaar weinig); onmogelijkheid van meting van viral load in plasma/serum sluit aanwezigheid van het virus elders in het lichaam niet uit; het virus kan elders in het lichaam nog aantoonbaar zijn, bijv. in lymfeweefsel, sperma of vaginaal vocht

opportunistische infectie (OI) 'gelegenheidsinfectie'; infectie die pas gaat opspelen wanneer het immuunsysteem verzwakt is, bijv. door HIV-infectie of behandeling met immunosuppressiva, zoals bij orgaantransplantatie

PCR polymerase chain reaction; polymerase kettingreactie; methode waarmee o.a. de viral load kan worden bepaald door vermeerdering in vitro van kleine hoeveelheden DNA of RNA in een tientallen malen herhaalde reactiecyclus

POL polycistronisch gen, een van de drie genen van het genoom van retrovirussen (o.a. HIV), naast GAG en ENV; codeert voor de drie enzymactiviteiten reverse transcriptase, endonuclease en protease, die de aangrijpingspunten in HIV-farmacotherapie vormen

polycistronisch met betrekking tot mRNA dat informatie bevat voor de synthese van meer dan een eiwit

postexpositieprofylaxe (PEP) toediening van een profylacticum na mogelijk contact met pathogeen microorganisme , doorgaans bij HIV; bijv. toediening van antivirale middelen die onmiddellijk (zo snel als mogelijk, het liefst binnen twee uur, uiterlijk binnen 48 uur) wordt gestart na het besmettingsmoment, i.h.b. bij prikaccident of onveilig seksueel contact, ter vermijding van HIV-infectie; exact slagingspercentage is onbekend; gebruikelijk is tripeltherapie gedurende 4 weken, zie ook prikaccident

progressieve multifocale leukencefalopathie (PML) ernstige opportunistische infectie in de hersenen, leidend tot geheugenverlies, verminderde motoriek en krachtverlies

protease enzym van HIV; bij vermenigvuldiging van HIV wordt eerst een polypeptide aangemaakt, dat door dit enzym wordt geknipt in stukjes, waaruit het nieuwe virus wordt opgebouwd

proteaseremmer stof die in het lichaam de werking van protease blokkeert en daardoor de aanmaak van nieuw virus remt dat weer nieuwe cellen kan infecteren; vb. alfa-1-antitrypsine

resistentie weerstandsvermogen, ongevoeligheid van een micro-organisme voor een geneesmiddel

resistentiebepaling meting van resistentie van een micro-organisme; twee vormen bij HIV: fenotypische en genotypische resistentiebepaling; fenotypische bepaling stelt in vitro de verminderde gevoeligheid van HIV voor antiretrovirale therapie vast; genotypische bepaling kijkt naar mutaties; genotypische bepaling vergt echter veel zorgvuldige interpretatie van het resistentiepatroon; fenotypische bepaling is tijdrovend.

resistentieontwikkeling het ontwikkelen van een ongevoeligheid voor een bepaalde stof of een micro-organisme waarvoor het organisme voorheen wel gevoelig was; deze resistentie wordt verworven door veranderingen in het DNA

resistentiepatroon (in geval van HIV:) de rij van mutaties in RT of protease gen waardoor het virus niet meer gevoelig is voor bepaalde HIV middelen

retrovirus enkelstrengs-RNA-virus met envelop, gekenmerkt door het bezit van het enzym reverse transcriptase; dit enzym is een RNA-afhankelijke DNA-polymerase dat DNA overschrijft van RNA; tot de retrovirussen behoren oncovirussen, spumivirussen en lentivirussen; bekendst is HIV, verwekker van aids; retrovirussen infecteren T4-helpercellen, waarbij het productieapparaat van de gastheercel wordt gebruikt om nieuwe virusdeeltjes te maken

reverse transcriptase enzym van HIV; bij infectie van een cel door HIV wordt RNA van HIV in het genetisch materiaal van de cel ingebouwd nadat eerst het HIV-RNA door het enzym reverse transcriptase in DNA is omgezet

reverse transcriptaseremmer (RT-remmer) stof die in het lichaam de werking van reverse transcriptase blokkeert, waardoor de infectie van nieuwe cellen wordt geremd; drie soorten RT-remmers: nucleoside en nucleotide analogen en niet-nucleosiden

Rhodococcus genus van aërobe grampositieve staafjes, voorkomend in de grond en in mest van planteneters; sommige rodokokken zijn pathogeen voor mens en dier, zoals Rhodococcus equi, vnl. gevonden in aidspatiënten

seropositief het hebben van antistoffen tegen een ziekteverwekker in serum; met de term ‘seropositieven’ doelt men doorgaans op mensen die antistoffen tegen HIV hebben; voorkeursterm is echter ‘HIV-positieve persoon’

seroprevalentie percentage van personen in een populatie die blootgesteld zijn geweest aan verwekker van een bepaalde infectieziekte, blijkend uit het aantonen van antistoffen in het serum

SI syncytium inducerend, celklontering veroorzakend; er zijn twee soorten HIV-, de SI en NSI (non syncytium inducerend) varianten van HIV-. De SI variant van HIV veroorzaakt in een bepaalde laboratoriumopstelling samenklontering van CD4-cellen; HIV-positieve personen bij wie de SI variant van HIV dominant is geworden, worden (zonder gebruik van HIV-remmers) doorgaans eerder ziek dan HIV-positieve personen bij wie de NSI-variant de overhand heeft; de SI-variant lijkt dus wat agressiever HIV te zijn

slim disease menginfectie in de darm bij Afrikaanse aids-patiënten; het ziektebeeld wordt gekenmerkt door diarree, malabsorptie, malnutritie en extreem gewichtsverlies

sneltest hiv-test waarmee de uitslag binnen een half uur bekend is; een positieve uitslag vereist altijd een bevestigingstest

T-cel lymfocyt die reageert als een antigeen zich al aan een lichaamscel heeft gebonden. T-cellen zijn niet alleen gericht op het vernietigen van geïnfecteerde cellen, maar spelen ook een belangrijke rol bij het regelen van de afweer. Er bestaan verschillende typen T-cellen

Cytotoxische T-cel lymfocyt die in staat is om lichaamscellen die een antigeen aan de buitenkant dragen, te doden. Zij worden in hun werking gestimuleerd door de T4-helper cellen. Deze kunnen, als ze een lichaamscel tegenkomen met een antigeen erop, ook de B-cellen activeren tot het vormen van antistoffen

T(4)-helpercel lymfocyt die B-cel aanzet tot productie van antistoffen. Door middel van deze antistoffen kunnen geïnfecteerde cellen en eventueel vrij in het bloed aanwezige ziekteverwekkers bestreden worden. De T(4)-helpercellen geven het startsignaal voor het ontstaan van een afweerreactie. Het HIV grijpt vooral aan op T4-cellen waardoor er geen `helper’ functie voor het afweersysteem bestaat, syn. CD-4 cel, CD4 + lymfocyt

T-surpressor cel lymfocyt die de activiteit van de T-helper cellen remt om te voorkomen dat deze doorgaan terwijl de infectie allang bestreden is.

therapiefalen het niet aanslaan van de behandeling; kan bij HIV-therapie verscheidene oorzaken hebben:

  1. combinatietherapie onvoldoende effectief of therapieontrouw
  2. resistentie tegen antivirale therapie (virologisch falen)
  3. afweer schiet tekort (aantal CD4-cellen stijgt niet of daalt zelfs; immunologisch falen); bij virologisch falen a.g.v. resistentie wordt de combinatietherapie met behulp van resistentiebepaling door andere middelen vervangen; stijgt de viral load a.g.v. therapieontrouw bij uitblijvende resistentie moet therapietrouw worden bevorderd

therapieontrouw het niet opvolgen van de aanwijzingen van de arts bij het innemen van geneesmiddelen; bijv. het niet afmaken van een kuur, op eigen initiatief over- of onderdoseren; kan leiden tot (ernstige) bijwerkingen en het persisteren van klachten

uitbehandeld inadequate, misleidende aanduiding van de status waarbij geen behandeling meer voorhanden is; bij behandeling van HIV verstaat men hieronder dat a.g.v. resistentie geen combinatie van antiretrovirale middelen meer voorhanden is die de viral load ondetecteerbaar kan maken; in die situatie kan de viral load echter met antiretrovirale therapie relatief laag worden gehouden en kunnen de ziekteverschijnselen nog steeds effectief worden onderdrukt; laat de viral load zich niet meer onderdrukken, dan kunnen uiteenlopende geneesmiddelen opportunistische infecties nog bestrijden; in al deze gevallen is de patiënt geenszins ‘uitbehandeld’

vensterperiode periode die verstrijkt tussen besmetting met een micro-organisme en de manifestatie van de infectie, zowel klinisch als serologisch, syn window phase, window-fase, zie HIV-test, zie ook incubatie

verpleegkundig specialist HIV/Aids in HIV/Aids gespecialiseerde verpleegkundige, syn AIDS-consulent, HIV-consulent

verticale transmissie overdracht (van HIV) van moeder op kind; dit kan intra-uterien plaatsvinden, maar vindt in de meeste gevallen plaats ten tijde van de partus of tijdens borstvoeding

verworvenimmunodeficiëntiesyndroom zie aids

viral load hoeveelheid virus, i.h.b. in serum van HIV-geïnfecteerden, uitgedrukt in het aantal kopieën per milliliter; loopt uiteen van vele miljoenen tot een onmeetbare (ondetecteerbare) hoeveelheid, veelal dankzij combinatietherapie; een relatieve verandering (10x hoger of lager) heeft meer betekenis dan een absolute verandering (+1000 of -1000), reden waarom viral load vaak in logs wordt uitgedrukt; schommeling < factor 3 (0,5 log) is niet-significant en vaak toe te schrijven aan natuurlijke variatie of onnauwkeurigheid van de bepaling

waisting syndroom ernstig gewichtsverlies (10% of meer) als gevolg van HIV-infectie; bij een HIV-positieve patiënt met waisting spreekt men van aids

Western Blotting blottingtechniek ter identificatie van eiwitten (veelal antistoffen) met specifieke antigenen; het via elektroforese gescheiden eiwitmengsel wordt overgebracht op een membraan en vervolgens met antisera behandeld; eiwitten die met antistoffen reageren, geven gekleurde bandjes; techniek wordt o.a. gebruikt als confirmatietechniek voor de aanwezigheid van HIV-antistoffen in serum

window phase, window-fase zie vensterperiode



De historie van deze pagina vindt u hier.